Voorafgaand aan de inwerkingtreding van de WWZ werd een ontslag op staande voet standaard gevolgd door een verzoek tot ontbinding ‘voor zover vereist’. Op die manier had een werkgever zekerheid dat de arbeidsovereenkomst in ieder geval vanaf dat moment was geëindigd, ook indien later in rechte kwam vast te staan dat het ontslag op staande voet onterecht was gegeven.

Onder de WWZ is het nog maar de vraag of de werkgever – na een gegeven ontslag op staande voet – de rechter om deze zekerheid kan verzoeken. In de rechtspraktijk staat de mogelijkheid van voorwaardelijke ontbinding onder de WWZ namelijk ter discussie.

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden stelde in april 2016 vast dat de kantonrechter voorwaardelijke ontbinding onder de WWZ over het algemeen mogelijk acht. Er klinken  echter ook tegengeluiden:  zo oordeelde de kantonrechter in Maastricht dat voorwaardelijke ontbinding onder de WWZ níet mogelijk is.

De Enschedese kantonrechter heeft daarom in mei van dit jaar prejudiciële vragen gesteld aan de Hoge Raad. De kantonrechter wil antwoord op de vraag of een werkgever onder de WWZ ontvankelijk is in een verzoek tot voorwaardelijke ontbinding na een ontslag op staande voet. Uit de wet volgt immers dat in hoger beroep een beschikking van de kantonrechter waarbij een oordeel is gegeven over een ontslag op staande voet, niet kan worden vernietigd. De hoogste rechter moet deze vraag beantwoorden.

De Hoge Raad beantwoordt prejudiciële vragen doorgaans binnen drie tot zes maanden. Tot die tijd is dus onduidelijk of een verzoek tot voorwaardelijke ontbinding onder de WWZ mogelijk is en komt het aan op maatwerk. Punt en Van Hapert Advocaten heeft ruime proceservaring bij de verschillende kantonrechters in Nederland.

Indien u als werkgever of werknemer te maken heeft met een ontslag op staande voet en een verzoek tot voorwaardelijke ontbinding, kunt u altijd contact met ons opnemen. Punt & Van Hapert Advocaten staat u graag bij voor advies.

Door: mr. Eveline Londeman