Zieke werknemers die recht hebben op doorbetaling van loon, bouwen ook vakantiedagen op. Dient de werkgever de opgebouwde maar nog niet genoten vakantiedagen uit te betalen aan het einde van het dienstverband of komen deze te vervallen?

Wettelijke en bovenwettelijke vakantiedagen

Iedere werknemer heeft recht op een minimum aantal vakantiedagen per jaar. Het wettelijk minimum aantal vakantiedagen bedraagt op grond van art. 7:634 BW bij een volledige werktijd vier weken (20 dagen) per jaar. Dit worden de wettelijke vakantiedagen genoemd. Vaak kennen werkgevers meer vakantiedagen toe. De extra vakantiedagen worden de bovenwettelijke vakantiedagen genoemd.

Vervaltermijn

Art. 7:640a BW bepaalt dat de aanspraak op het minimum aantal vakantiedagen per jaar (20 dagen bij een voltijdse werktijd) vervalt zes maanden na de laatste dag van het kalenderjaar waarin de aanspraak is verworven, tenzij de werknemer tot aan dat tijdstip redelijkerwijs niet in staat is geweest vakantie op te nemen.

Voor de bovenwettelijke vakantiedagen geldt op grond van art. 7:642 BW de verjaringstermijn van 5 jaar. Nu deze termijn relatief lang is en de bovenwettelijke vakantiedagen minder snel zullen verjaren, zal de discussie met name zien op het al dan niet verjaard zijn van de wettelijke vakantiedagen.

 

Redelijkerwijs niet in staat – bijzondere omstandigheden

De vervaltermijn voor de wettelijke vakantiedagen van een half jaar na het opbouwjaar is slechts in bijzondere omstandigheden niet van toepassing. Hiervan kan sprake zijn indien een langdurig zieke werknemer die geen re-integratieverplichtingen zijn opgelegd, niet in staat is om minimum vakantie op te nemen. Indien aan een zieke werknemer re-integratieverplichtingen zijn opgelegd, zal hij wel in staat zijn minimum vakantie op te nemen. Indien de zieke werknemer in die situatie geen vakantiedagen opneemt, geldt de korte vervaltermijn van een half jaar als bedoeld in art. 7:640a BW voor de wettelijke vakantiedagen.

Voor de werkgever geldt wel de verplichting dat hij de werknemer op nauwkeurige wijze en tijdig moet informeren over zijn vakantierechten, zodat de werknemer daar nog gebruik van kan maken, bij gebreke waarvan het recht op vakantie en/of een financiële vergoeding voor het niet-opgenomen dagen niet kan komen te vervallen. In dat geval geldt de lange verjaringstermijn uit art. 7:642 BW van vijf jaar na de laatste dag van het kalenderjaar waarin het recht op vakantie is ontstaan.

De vraag of vakantiedagen moeten worden uitbetaald of zijn komen te vervallen aan het einde van het dienstverband hangt dus af van de vraag om welke vakantiedagen het gaat (wettelijk of bovenwettelijk), de termijn die is verstreken en de vraag of de werknemer redelijkerwijs in staat is geweest om vakantie op te nemen.

Of de werkgever de vakantiedagen dient uit te betalen of deze zijn vervallen, verschilt dus per geval. Voor nadere informatie en advies over vakantiedagen kunt u altijd contact opnemen met onze advocaten arbeidsrecht.

Door: Eveline Londeman