De vraag komt erop aan of werknemer het bedrijfsdebiet van werkgever in gevaar zal brengen. Dat lijkt niet het geval. De werkgever heeft het concurrentiebeding op zodanige wijze geformuleerd dat het een zo breed mogelijke strekking heeft. De werkgever heeft de werknemer, tot na zijn opzegging, ook niet nader geïnformeerd over de omvang en strekking van het concurrentiebeding. Voor werknemer is niet duidelijk op welke bedrijven het concurrentiebeding precies ziet. Indien een werknemer hierover pas duidelijkheid kan krijgen door de werkgever om toestemming te verzoeken, is dat een te grote inbreuk op zijn recht op vrije arbeidskeuze. Na een dergelijk verzoek is voortzetting van het dienstverband meestal geen optie meer. Verder heeft werkgever onvoldoende aannemelijk gemaakt dat werknemer over zodanige kennis beschikt dat deze ook na een afkoelingsperiode van zes maanden na het dienstverband nog actueel is en beschermd moet worden. Het hof schorst het concurrentiebeding.