Gepubliceerd arrest

Het gerechtshof te Amsterdam heeft een interessant arrest gewezen in het voordeel van de onderneming die is bijgestaan door Punt & Van Hapert Advocaten (JOR 2020/110). Het hof heeft geoordeeld dat de wederpartij aansprakelijk is voor de schade van de onderneming die is ontstaan door het ontnemen van een zogenoemde corporate opportunity. Dit leerstuk is afkomstig uit het Angelsaksische recht en is in Nederland nog relatief onbekend. Na een korte weergave van de feiten zal de aansprakelijkheid op grond van het corporate opportunity leerstuk verder worden besproken.

De feiten

In deze zaak had de ondernemer / aandeelhouder (‘Aandeelhouder A’) een besloten vennootschap (‘Vennootschap’) opgericht met het doel om jatrophaplantages op te zetten voor de productie van biodiesel. Via de Vennootschap had Aandeelhouder A een Mozambikaanse vennootschap gevonden die in Mozambique over grond en vergunningen beschikte voor het aanleggen van deze plantages. Daarnaast was de Vennootschap een financieringsovereenkomst aangegaan met een investeerder die in ruil voor zijn investering ook aandeelhouder wilde zijn van de Vennootschap (‘Aandeelhouder B’).

Aandeelhouder A en Aandeelhouder B hadden afgesproken dat Aandeelhouder B een meerderheidsbelang zou verkrijgen in de Vennootschap van 90%. Daarna zou de Vennootschap alle aandelen in de Mozambikaanse vennootschap verkrijgen. Eind 2008 verkocht Aandeelhouder A 90% van haar aandelen in de Vennootschap aan Aandeelhouder B en werd Aandeelhouder B enig bestuurder van de Vennootschap. Hierna zou de Vennootschap volgens afspraak alle aandelen in de Mozambikaanse vennootschap verkrijgen zodat de Vennootschap kon beginnen met het verbouwen van haar jatrophaplanten.

In 2013 bleek echter dat niet de Vennootschap maar Aandeelhouder B zelf 90% van de aandelen in de Mozambikaanse vennootschap had verkregen. Als oplossing stelde aandeelhouder A nog voor dat zij nu 10% van de aandelen in de Mozambikaanse vennootschap zou krijgen zodat zij alsnog 10% van de winst kon ontvangen. Aandeelhouder B gaf echter geen gehoor aan dit verzoek en besloot om de Vennootschap te ontbinden. Aandeelhouder A nam hier geen genoegen mee en startte een juridische procedure tegen Aandeelhouder B.

Toekenning van de vordering

Bij de rechtbank vorderde Aandeelhouder A dat Aandeelhouder B een onrechtmatige daad heeft gepleegd door Aandeelhouder A niet voor 10% te laten meedelen in de toekomstige opbrengsten van de jatrophaplantage. Aandeelhouder B had Aandeelhouder A daarmee de corporate opportunity ontnomen om de aandelen in de Mozambikaanse vennootschap te verkrijgen. De rechtbank kende de vordering van Aandeelhouder A toe door te bepalen dat, gelet op de gemaakte afspraken rond de financiering van de plantage, de voorgenomen eigendomsverhoudingen en organisatiestructuur, Aandeelhouder A erop mocht vertrouwen dat de plantageactiviteiten via de Vennootschap zouden verlopen.

Hoger beroep

Aandeelhouder B ging in hoger beroep maar het hof kwam tot hetzelfde oordeel als de rechtbank en bepaalde dat Aandeelhouder B schadeplichtig is jegens Aandeelhouder A. Het hof brengt wel enige nuanceringen aan op het vonnis van de rechtbank. Zo stelt hij dat Aandeelhouder B als bestuurder én aandeelhouder onzorgvuldig heeft gehandeld jegens Aandeelhouder A in de zin van artikel 2:8 BW. Hiermee baseert het hof de aansprakelijkheid van Aandeelhouder B op grond van een centraal leerstuk binnen het ondernemingsrecht en niet enkel op het algemeen privaatrechtelijke leerstuk van de onrechtmatige daad. Hierbij besteedt het hof relatief weinig aandacht aan de reikwijdte van het corporate opportunity leerstuk door slechts enkele criteria te benoemen die in de lagere rechtspraak richtinggevend zijn geweest voor het aannemen van aansprakelijkheid. Het hof stelt vast dat aan deze criteria is voldaan maar stelt niet expliciet dat er sprake is van het ontnemen van een corporate opportunity. Deze nuancering toont goed aan dat het corporate opportunity leerstuk nog niet volledig is opgenomen in het Nederlandse recht.

Verder stelde Aandeelhouder B dat het ontnemen van een corporate opportunity alleen tot een onrechtmatig daad kon leiden jegens de Vennootschap en niet jegens Aandeelhouder A. Volgens de heersende leer zou de schade van Aandeelhouder A onder de zogenoemde afgeleide schade vallen en die schade kan alleen worden vergoed doordat de Vennootschap een eigen aansprakelijkheidsprocedure start. Het hof komt echter tot het belangrijke oordeel dat de onderhavige situatie een uitzondering is op het leerstuk van de afgeleide schade. Het hof onderbouwt dit oordeel door vast te stellen dat de Vennootschap al ontbonden was door Aandeelhouder B en er geen andere crediteuren en aandeelhouders betrokken waren die belang hadden bij het heropenen van de vereffening van de Vennootschap. Bovendien stelt het hof expliciet vast dat Aandeelhouder B een specifieke zorgvuldigheidsverplichting heeft geschonden jegens Aandeelhouder A als minderheidsaandeelhouder waardoor het leerstuk ook op die grond niet van toepassing is. Met het aannemen van deze uitzonderingen op de jurisprudentie die al sinds de jaren 90 richtinggevend is voor ondernemingsrechtjuristen is dit arrest een interessante verrijking op de heersende leer.

Tot slot

De onderhavige zaak toont goed aan hoe het ondernemingsrecht zich blijft ontwikkelen aan de hand van complexe zaken en de juridische inkadering daarvan. Indien u binnen uw eigen onderneming tegen een soortgelijke kwestie aanloopt of als u andere ondernemingsrechtelijke vragen heeft, kunt u altijd contact opnemen met één van onze ondernemingsrechtadvocaten.

Door: Tom de Bruin